fragment: Vorden, van twaalf bakkers naar drie

In 1958 verhuisde de zevenjarige Rob (destijds nog Robby) Kerkhoven van Lochem naar het naburige Vorden. Zijn ouders vestigden zich er met hun bakkerszaak aan Het Hoge, temidden van elf concurrenten. In 1970 stopten zij noodgedwongen en verhuisden naar Amsterdam. In 2006 zijn er nog maar drie bakkers in Vorden. Wat zit daarachter? Hoe is het de Vordense bakkers tussen 1970 en 2006 vergaan? Maar niet alleen de Vordense bakkers. Is er sprake van een landelijke trend? Is er nog bestaansrecht voor de warme bakker van nu? Hoe zit het met de Nederlandse middenstand als geheel?

Als je een dergelijk verhaal wilt vertellen, over onbekende mensen – in de zin van niet beroemd –, word je geconfronteerd met een flinke hindernis: beroemdheden laten veel meer tastbare sporen na dan twaalf anonieme dorpsbakkers. Bovendien waren de meeste onderhand al jaren dood. Tegenover het gebrek aan tastbaar, verifieerbaar bewijs staat een groot voordeel: de schrijver kende alle hoofdrolspelers persoonlijk. Om de neergang te beschrijven en met bewijsmateriaal te staven heeft hij allerhande cijfers bestudeerd, aan oral history gedaan en in vele archieven zitten grasduinen. Er was meer dan hij vooraf dacht.

De schrijver wil op de eerste plaats vertellen: over burgemeester Van Arkel die op de pof kocht; over de baron van Hackfort die altijd achterom kwam en dan praatjes van minder allooi uitsloeg; over de valse kettinghond die een mand vol brood en koek naar z’n kop geslingerd kreeg; over boer Makkink die – steevast geleund op een schop – het weer góóóóóldebastend dreuge, kold dan wel nááát vond; over ‘best brood dat brood van Schurink’; over winkelmeisje Willemien; over bakkerszonen en andere middenstandskinderen die zelden de zaak overnamen; over nog heel veel meer. In veel gevallen schilderde de schrijver zo nauwkeurig mogelijk hoe een figuur of situatie was, maar niet zelden heeft hij zich voorgesteld hoe hij of zij zich destijds voordeed, zich had kunnen voordoen of zich had kunnen ontwikkelen. ‘Ik heb me af en toe naar harte(n)lust vergrepen aan het rijke instrumentarium van de fictieschrijver. Niettemin is het boek vooral gebaseerd op authentiek materiaal, op verifieerbare door vele betrokkenen bevestigde feiten’, aldus de auteur. Het boek is tegelijk biografie én roman én geschiedverhaal én sociaal-economische studie. Het boek gaat in zeven hoofdstukken over een twaalftal dorpsbakkers dat in veertig jaar tot trio gereduceerd werd. Het staat model voor een landelijke trend: in die veertig jaar verdween driekwart van de Nederlandse bakkers.’

Het boek (ISBN nummer 90 5974 157 9) is te bestellen via de boekhandel, per e-mail – r.kerkhoven@upcmail.nl – of via www.bruna.nl

Terug naar boeken.

Rob Kerkhoven heeft een ‘hilarisch, goed gedocumenteerd en uiterst informatief boek’ geschreven, vindt uitgeefster Jitske Kingma. Het bevat elf unieke voetbalvertellingen, gelardeerd en opgesmukt met een flinke scheut schaatsen, een toefje korfbal en een snufje fierljeppen. Het is prachtig geschreven, zit boordevol informatie en is voorzien van nuttige en grappige lijstjes. Een absolute must voor de voetballiefhebber. Ook voetbalhaters zullen er van genieten.
De presentatie vond plaats in het Abe Lenstra Stadion. Voetbalcoach Foppe de Haan was aanwezig, zat ruim op zijn praatstoel en nam vervolgens het eerste exemplaar in ontvangst.
‘Op duizenden velden hollen wekelijks tweeëntwintig kerels achter een bal. Bloedserieus. Fanatiek. Ze krijgen schoppen, lopen blessures op, raken verhit, ondergaan vernederingen, worden bespuugd, incasseren frustraties, verkeren buiten zinnen en snakken naar adem. Ze maken slechts af en toe euforische momenten mee. De week erop gaan ze weer. Met grote regelmaat komen bijna zesentwintigduizend mensen naar de eredienst in de tempel van Abe Lenstra – méér dan er in het dorp Heerenveen wónen. En zo spectaculair speelt SC Heerenveen doorgaans niet. Toch komen ze, telkens opnieuw. Op 7 juli 2006 keken wereldwijd anderhalf miljard mensen op hetzelfde moment naar de WK-voetbalfinale tussen Italië en Frankrijk. Anderhalf miljard! Na het laatste fluitsignaal van scheids Elizondo stroomde de braakliggende zandvlakte van het Circus Maximus in een mum van tijd vol. Meer dan een miljoen uitzinnige Romeinen gingen er uit hun dak. De Galliërs waren verslagen. Toch nog, na al die eeuwen. Als waren ze zelf kampioen geworden, zo blij waren de tifosi. Dat gebeurt terwijl we allemaal weten, zouden kunnen weten, dat het leven niet veel meer is dan een kortstondig potje tegenstribbelen tegen de eeuwigheid. Een beetje zinloos protesteren tegen het oneindige niets. Met al dat voetballen wordt geen enkel doel gediend. Al dat gehol en gedraaf leidt tot niets. De mensheid wordt er geen haar beter van. De trage schildpad gaat doorgaans langer mee dan de snelle cheeta. Nooit is bewezen dat je van sporten langer zou leven. En al zou het zo zijn, je hebt de gewonnen tijd doorgebracht met … sporten. Bovendien kán iedereen sinds kort weten dat álle sport totaal nutteloos is. Volkomen overbodig. Bizar tijdverdrijf. Konijnen sporten namelijk niet. Nog onlangs kregen we het haarfijn, goed gedocumenteerd uitgelegd.) En niet alleen konijnen houden zich verre van sport, ook mieren, giraffes, spinnen, haaien, kokkels, rotganzen, orang-oetans, vleermuizen, cobra’s, boktorren en bonte spechten sporten niet. Dieren bewegen slechts om voedsel te vergaren. Voor het overige houden ze zich gedeisd. Ze sparen hun energie. In het dierenrijk wordt niet gesport! Toch zullen na dit schokkende nieuws de stadions niet leegstromen, zo mogen we verwachten. De tweeëntwintig mannen zullen op zaterdag en zondag tegen een bal blijven schoppen. Ook de korfballers, bungeejumpers, fierljeppers, pluimpjeballers, darters, onderwaterhockeyers, de beoefenaars van het bespottelijke curling en zelfs de handballers – erger dan handjebal kan haast niet – blijven naar verwachting fanatiek hun afwijking koesteren. Geef hen eens ongelijk. “Gaan jullie nu alwéér?”
Van oprechte of gespeelde verbazing schoot haar stem een octaaf of wat de hoogte in.
“Natuurlijk”, knikte ik.
“Maar het was de vorige keer niet om aan te zien. Om te huilen, zo slecht. Dat zei je zelf”, probeerde mijn echtgenote.
“Klopt, maar als oprecht en streng gelovig voetbalfanaat weet je nooit of je vanavond getuige zult zijn van de goal van het jaar, de voorzet van de eeuw, de stiftbal van het millennium of de omhaal van het heelal. Misschien ben je aanwezig bij de meest ridicule blunder van een doelman ooit, de absurdste beslissing van die blinde tyfushond, wiens moeder een hoer is (de scheids), die onmogelijke save van de keeper, het krankzinnigste scoreverloop sinds mensenheugenis, de waanzinnigste penaltyreeks aller tijden – na 32 strafschoppen op rij valt eindelijk de beslissing. Met die rotsvaste overtuiging ga je iedere wedstrijd weer op de tribune zitten.”
Hoofdschuddend pakte ze haar boek weer op. “Jullie zijn ongeneeslijk onverbeterlijk.” Ze heeft gelijk.
Enige tijd geleden presenteerden we elkaar onder het genot van een tripel of drie onze persoonlijke top vijf, ons lijstje. Het was een plechtig en ook wel spannend moment, daar op het zonovergoten terras van grandcafé ‘De Heerenkamer’, hartje Heerenveen. Hoe en op grond waarvan had voetbalmaat Booq geselecteerd uit de intussen honderd getweeën genoten reizen en reisjes, wedstrijden en uitstapjes? Wat waren mijn criteria geweest? Zouden onze lijstjes overeenstemmen of totaal verschillen? Wat kwam eruit rollen?
’s Avonds zouden we naar de eerste thuiswedstrijd van SC Heerenveen in het nog kakelverse eredivisieseizoen 2005/2006. De mannen van Verbeek en Stevens maakten er die avond een spektakelstuk van. Ze deden hun uiterste best om een plek in onze top vijf te bemachtigen: we aanschouwden negen doelpunten, waaronder hele mooie. We zagen blunderende defensies, inventieve aanvallers, een bizar scoreverloop! Het lukte hen echter niet, nóg niet. Om te kunnen beoordelen of een wedstrijd een plekje in ons walhalla verdient, moet er enige tijd verstrijken. Het wedstrijdgedruis moet bezinken, de adrenaline moet zakken, een nuchtere kijk achteraf is vereist. Leve het historisch besef.
Om het samenstellen van de top vijf mogelijk te maken hadden we afzonderlijk een voorselectie gemaakt uit de tientallen voetbalreizen en -uitstapjes die we in de loop der jaren samen maakten. Daaruit kwamen uiteindelijk een top vijf plus een of twee die het ‘net niet haalden’ tevoorschijn.
Tijdens onze presentaties borrelden de eerste, nog vage contouren voor dit boekje bij mij op. De twee prachtige lijstjes bevatten, als ik ze ‘s flink dooreen zou husselen, voldoende bouwstoffen voor een stel mooie verhalen. Ik heb er m’n persoonlijke toppers uit het pre-Booqtijdperk aan toegevoegd. Dat proces resulteerde in elf unieke voetbalvertellingen, in elf voetbalhapaxen. Ze worden chronologisch opgediend. Mijn persoonlijke toppers gaan als voorafje, onze gezamenlijke voetbalreizen vormen het hoofdgerecht. Het elfde verhaal, het dessert, behelst oprichting en eerste avonturen van het HUG. Het geheel wordt gelardeerd en opgesmukt met een flinke scheut schaatsen, een toefje korfbal en een snufje fierljeppen.
Alvorens we gaan voetballen is een korte inleiding in het fenomeen hapax en daarmee annex de leer van de hapax, de hapaxologie, vanzelfsprekend onontbeerlijk.
Zowel voorgerecht, hoofdgerecht als toetje worden met scherts en luim opgediend, zijn totaal ongevaarlijk, licht verteerbaar, toegankelijk voor voetballiefhebbers én voetbalhaters. Beide categorieën dienen te bedenken dat al dat gebal geen enkel nut heeft. Al het gedraaf en gejakker over de velden culmineert uiteindelijk in niets. Ernaar kijken leidt al helemaal tot niets … nou ja tot elf mooie verhalen, tot elf pure voetbalhapaxen.’