De kruk en de onderbroek

Uit: Vorden, Het Hoge 36 (p. 75 t/m 77, hfdst. IV)

Ik kwam bij juffrouw Van Helle in de klas. Van Helle was ondanks haar achternaam doorgaans vriendelijk en zachtaardig. Maar als je kattenkwaad uithaalde, kon ze fel reageren en héééle grote donkerbruine ogen opzetten. Ze boezemde ontzag in, omdat je wist dat die vriendelijke juf kon veranderen in een vuurspuwende vulkaan. Nou ja, een vulkaantje. Van die tweede klas is me vooral bijgebleven dat de juf, juf Van Helle, ons flink wist op te jagen door een beroep te doen op onze competitieve capaciteiten. Ze speurde naar onze weinig verheffende streberige eigenschappen. Als je een tien scoorde voor je sommen of je dictee verscheen je naam op het bord met drie vlaggetjes erachter. Een negen leverde twee vlaggen op. Een acht slechts één. Een zeven was goed voor een wimpel. Drie wimpels konden worden ingeruild voor één vlag. Alles daaronder scoorde vlaggen noch wimpels. Wie aan het eind van de week de meeste vlaggen had verzameld, mocht de week erop met gekleurde inkt schrijven. Nummer twee kwam drie dagen in aanmerking en nummer drie slechts één dag. Ik was daar ontvankelijk voor, want de juf had op haar lessenaar speciale potjes. Je mocht een van die magische potjes met rode, paarse of groene inkt meenemen en in de daartoe uitgespaarde ruimte in je schoolbank plaatsen. De firma Patria fabriceerde die gietijzeren potjes. Patria was van oorsprong een Kinderwagen- en Stalen Kruiwagenfabriek maar legde zich vanwege slapte in de core business in de jaren ’50 ook toe op het fabriceren van schoolmeubilair. Waaronder inktpotjes. Als je de wekelijkse vlaggencompetitie winnend afsloot, mocht je je kroontjespen in de fel gekleurde inkt dopen. Dan was je de koning te rijk. Welk een privilege!

Pedagogisch was de handelwijze van Van Helle natuurlijk uit den boze. Vinden we nu. Of handelde ze wellicht destijds ook al niet conform de meest recente wetenschappelijk gestaafde pedagogische opvattingen aangaande de benadering van de tere kinderziel? Ze zou nu na een stevig functioneringsgesprek ongetwijfeld een fikse schrobbering plus laatste waarschuwing krijgen om haar lessen op orde te brengen en zulke abjecte praktijken te staken. Zo niet, dan volgden na een streng beoordelingsgesprek onherroepelijk disciplinaire maatregelen: salaris inleveren en bij recidive onvermijdelijk ontslag. Maar ook toen was de handelwijze van Van Helle natuurlijk laakbaar, zo niet stupide. Én wreed. Het grootste deel van de klas kwam nooit aan een dagje gekleurde inkt toe, laat staan een hele week. Dat bleef een voorrecht voor de happy few. Ik had daar geen oog voor. Mijn beperkt invoelingsvermogen had alles te maken met het gegeven dat ik tot de uitverkorenen behoorde. Ik schreef om de haverklap met de in fraaie kleuren gedoopte pen. Ik slaagde vaak met vlag en wimpel en was grootverbruiker van Van Helles elitepotjes. De drie Annies, Garrit, Gerrit, de twee Riekies, de beide Bennies, Gerdien, Juultje, de vier Jannen, Barend, Hannes, Jannes, Jantien, Grietje, Geurtje, Minie, Gert, Geert, Inkie, Marja, Auke, Hennie, Grada, Gretha, Annechien, de beide Hermiens, Albertje, Willemien, Henkie, Pietje van de smid, Pietje van de schilder, alsmede Wolter, zij allen hadden het nakijken. Hun restte niets dan stille bewondering, doffe berusting of sip treuren om zoveel onrecht. Of onverschillig de schouders ophalen, dat was waarschijnlijk nog het beste.

Juffrouw Van Helle is naast haar vlaggenpedagogiek in mijn geheugen gegrift vanwege ‘de kruk en de onderbroek’. Meestal zat juf op een hoge kruk. Ze was de zestig gepasseerd en liep mank. Langdurig staan ging niet; een paar minuten, dan was het op. Om toch het overzicht over de grote klas te bewaren resideerde ze op een tamelijk hoge houten kruk. Ze zat niet als een dame. Ze zat zelfs vaak ongegeneerd wijdbeens. De tweedeklassers wisten niet goed waar te kijken. Telkens zag je die kruk met daarop Van Helle. En de onderbroek! Als je te nadrukkelijk wegkeek, zei ze er wat van. ‘Zit niet te dromen Rudy’. Ik droomde allerminst, maar durfde natuurlijk niet te zeggen waarom ik afwezig leek c.q. wegkeek. Bovendien hielp wegkijken maar voor een moment. Het was alsof een sterke magneet je blik naar de kruk trok. Hoe je je blik ook wendde of keerde, je moest elke dag toch zeker een uur in jufs schemerige vooronder staren. Ik was blij als we sommen moesten maken. Ik kan de Jansen & Tilanus nog altijd uittekenen. Die was zonder uitzondering grijs – we mogen hopen niet steeds hetzelfde exemplaar; misschien had ze er ooit een dozijn met korting ingeslagen – en met pijpen. Vrij lange pijpen. Daar onderuit kwam een klein stukje blote dij, dat in het schemerduister vrij hel en akelig wit oplichtte. Als ik zwaar getafeld heb en vooral gedronken, word ik in de wat minne dromen nog wel eens bezocht door dat macabere stukje blanke dij. Badend in het zweet schrik ik dan wakker. Direct daaronder kwamen donkergrijze dikke kousen, die via een gespannen elastiek werden opgehouden. Dat elastiek verdween in de richting van de grijze onderbroek naar een zich ergens daarboven ophoudende jarretelgordel, naar wij mogen aannemen; maar daar hadden tweedeklassertjes van toen geen weet van. Al met al was dat school-jaar niet aangenaam: de kruk en de onderbroek drukten een zwaar stempel op de tweede klas. De gekleurde inkt verbleekte er bij.