Hagenees

Den Haag, Noorderbeekdwarsstraat 186 (p. 56 t/m 58 hdst III)

Op de automatische piloot koerste ik vanuit het centrum naar de buurt waar mijn opa en oma ooit woonden. Ik had dezelfde route samen met opa tientallen keren afgelegd, maar dat was lang geleden en altijd met tram of bus. Daarom toetste ik de rit naar Noorderbeekdwarsstraat 186 toch maar in. Op het navigatiescherm lichtte het traject keurig op. Een zoetgevooisde vrouwenstem vertelde telkens to the point waar ik zoal op moest letten. Of ik op een camera zou stuiten: let op je snelheid! Waar ik af moest slaan. Op welke punten ik stoplichten kon verwachten, óók met camera’s. Of een tram mijn pad zou kruisen. Op hoeveel meter van mijn target ik me bevond en wat de verwachte aankomsttijd was. Ik moest bijwijlen de neiging onderdrukken achterom te kijken. Welke bloedstollend mooie vrouw lag op de achterbank al die wijsheden met zwoele stem te verkondigen?
Toen ik het kruispunt Beeklaan-Regentesselaan-Loosduinseweg naderde, waarschuwde vrouwe TomTom me keurig voor een mogelijk passerende tram 12. Veertig meter na de kruising parkeerde ik. Een bezorgde navigatrice berispte me: ik bevond me op wel 600 meter van mijn bestemming. Ik besloot evenwel tot ongehoorzaamheid, omdat ik sterk de indruk had dat ze zich moest vergissen. Ik was op hooguit 300 meter van mijn einddoel, waarschijnlijk zelfs een stuk minder. ‘Dat maak ik zelf wel uit’, mompelde ik. Daar had ze niet van terug. Ik liep de veertig meter terug naar het kruispunt.
Het was spitsuur en onwillekeurig dacht ik terug aan die beladen middag vol ruzie, meer dan vijftig jaar geleden. Juist op dat moment zag ik mijn favoriete tram naderen. In gedachten liet ik ook mijn tante oversteken. Er was nu weliswaar geen Scania Vabis in aantocht (zoals toen), maar lijn 12 verscheen in vol ornaat. Tram 12 had haar ook mogen platwalsen, mijmerde ik. Ik glimlachte om mijn eigen vrolijke absurditeiten.
Ik tuurde een minuut of tien naar de voortjakkerende meute. Ik wist nog altijd veel merken, constateerde ik, hoewel het er niet gemakkelijker op werd. Auto’s lijken meer en meer op elkaar. Nou ja, een Tesla onderscheid je nog wel van een Renault Twingo, maar in de jaren vijftig had je meer karakteristieke kenmerken. De hoge kattenrug van de Volvo PV 444. De koplampen van de Citroën 2CV die als losse oogbollen boven de motorkap uit torenden. De Peugeot 204 met zijn fraai gemodelleerde neus. Het tweetakt gepruttel van de DKW’s. De ronde vormen van de VW-Kever. De majestueuze achtervleugels van de Chevrolet Impala. De schildpadachtige, rondom geribbelde Renaultjes 4CV. De Buicks die als luxe slagschepen door het verkeer deinden. De excentrieke Morris Minor. De buitenissige Panhard. Een Lancia Aurelia B24S Convertible met Marcello Mastroianni aan het stuur, Sophia Loren tegen zijn schouder gevleid. Een Citroën DS, ‘de snoek’, met daarin de blonde vamp Anita Ekberg … om maar wat hoogtepunten te noemen.
Toen de uitlaatgassen te penetrant werden, keerde ik me af. Ik besloot mijn auto te laten staan, waar hij stond. De laatste 300 (of 600) meter vond ik wel op de tast, ook zonder navigatieadviezen. Verderop zag ik de zijstraat. Dat moest ‘m haast zijn. ‘Noorderbeekdwarsstraat’, las ik op het blauwe wat wit uitgeslagen bord en ging rechtsaf. Op de eerste hoek – de kruising met de Noorderbeekstraat; die verbindt de Fahrenheitstraat met de Beeklaan – was aan de linkerkant geen bakker meer. Aan het wat groot uitgevallen raam kon je zien dat er ooit een winkel was gevestigd. Destijds kocht mijn opa er brood, beschuit, koekjes, soms andere lekkernijen. Na het tante Hedwig-incident scoorden we er gevulde koeken.
Ik liep verder de straat in. Drukkerij Lankhout-Immig, schuin tegenover mijn opa en oma, was weg. In plaats daarvan stond er een vrij nieuw flatgebouw met twee- en driekamerappartementen. Ik keek op de naambordjes: Loukili, El Massaoui, Nguyen, Bakkalcıoğlu, Kim-Sun, Öztürk, Boukhari, Messaoud, Namli, Kouachi, Yilmaz, El Idrissi, Çetin, El Kaddouri, Ünal, Avci, Tahiri … en nog een enkele Den Dulk, Pronk, Varkevisser.
Aan de linkerkant wachtte me direct daarna de grootste schok: waar ooit het huizenblok van mijn jeugd stond, mijn vakantiehuis, gaapte nu een gat. Ik begreep nu waarom nummer 186 tegenwoordig een heel eind verderop ligt. Zowel mijn wegwijsmevrouw als ik hadden het bij het rechte eind. De Noorderbeekdwarsstraat was omgenummerd! Het gat bleek Kamerlingh Onnesplein te heten en bestond vooral uit klinkers, met daaromheen wat grasveldjes, nieuw aangeplante boompjes en perkjes met heesters. Er stonden enkele speeltoestellen en ook twee doeltjes. Er werd niet gespeeld of gevoetbald. Op de plek waar het huis van mijn grootouders stond, lag nu de speelplaats van de achterliggende basisschool. Het schoolpleintje was door een hek gescheiden van het belendende Kamerlingh Onnesplein. Pal naast het schoolpleintje begon de bebouwing weer. Daar stond op het huidige nummer 94 nog altijd het badhuis dat ik me van vroeger herinnerde. Boven de dubbele groene toegangsdeuren las ik het originele opschrift ‘Gemk Stortbad’, zorgvuldig in het grijze plamuur gebeiteld. Het pand leek me niet meer als gemeentelijke badinrichting in gebruik. Het zag er nogal verlaten uit.

Ik keerde om en zeeg neer op een van de bankjes die het Kamerlingh Onnesplein omzomen. In gedachten dwaalde ik bijna zestig jaar terug. ‘Morgen naar Madurodam opa’, prevelde ik zachtjes voor me uit. ‘Is goed jongen’, fluisterde ik de stem van mijn opa nabootsend. Ik grinnikte zacht. Een passerende man met baard, gehuld in een djellaba, hoorde het niettemin en bekeek me argwanend. ‘Wat is dat voor een vreemde snuiter?’, zag ik hem denken. ‘Vast geen Hagenees.’ Ik kwam langzaam overeind en knipperde tegen het lage zonlicht. Ik stak mijn opschrijfboekje in mijn binnenzak en keek verdwaasd om me heen. O ja, ik zat op een bankje aan de rand van het Kamerlingh Onnesplein. Gevoetbald werd er nog altijd niet. Er bungelde nu wel een jochie aan een rekstok. Hij leek me geen nieuwe Epke.