Bankje vooraf

Bankje vooraf is te vinden op p. 10 t/m 14 vh boek

“Kom, snel de kelder in. Drie tellen tussen de flits en de klap”, riep mijn moeder paniekerig. “Hup, hup, hup!”
Gedwee maar snel volgden we haar langs het steile trapje naar de kelder. Kelder was een groot woord. Het ging om een ruimte van hooguit tweeënhalf bij twee, anderhalve meter hoog. Een volwassene kon er niet rechtop staan.
Drie tellen tussen bliksem en donder was het criterium. Werd het korter, dan moest je als de wiedeweerga ondergronds. Toen ik een jaar of vijf was, begon ik ijverig mee te tellen. Als ik constateerde dat de tijdsspanne minder was dan drie, kondigde ik code rood af en rende alvast naar de kelderdeur, onderwijl mijn jongere zusjes voor me uitdrijvend.

Mijn moeder was doodsbang voor onweer. Al bij wat gerommel op grote afstand moesten we spoorslags naar binnen. Speelde je nog langer buiten, dan zette je je leven op het spel. Ze was sowieso een angsthaas. Haar vreesachtigheid gold naast onweer ook honden, spinnen, donkere bossen waarin je onherroepelijk zou verdwalen, speeltuinen (vooral wipwappen, glijbanen en schommels waren levensgevaarlijke uitvindingen), inbrekers, open water (ze kon niet zwemmen), brand (‘de vlam in de pan’ boezemde haar grote angst in), ziekten (kanker, hart-verlamming en hersenbloeding vormden haar top drie; ze noemde die nooit bij naam), zuurtjes (‘Rang’ was berucht; een rangetje kregen we als kinderen nooit, want je zou er subiet in stikken), zwarte katten en ladders, tandartsen (van periodieke controle was geen sprake), blozen (mijn moeder kleurde te pas en te onpas), bloed, vreemde mannen die het op haar kroost voorzien hadden, bacteri-en (baktéééries zei mijn moeder; die waren zo gevaarlijk omdat je ze niet kon zien, terwijl ze vanuit alle hoeken en gaten op je loerden om toe te slaan), Satan (met de heer S was het als met baktéééries, maar dan erger). Ze had hoogtevrees en ging nooit in een lift, ook al lag de bestemming op tien hoog. Het beklimmen van een keukentrapje maakte haar al nerveus. Ze was doodsbang voor wespen, bijen en muggen. En ze was panisch voor muizen. Dat was onhandig voor een bakkersvrouw. De waslijst is schier oneindig. Het bangst was ze voor de toorn des Heren.
Ik heb dat vreesachtige van mijn moeder geërfd. Ze heeft een flink aantal fobieën bij me geïnjecteerd. Ik ben een aartsbangeschijter. Met spinnen, bossen, vreemde mannen en water valt het wel mee, maar als ik een loslopende hond zie, ga ik een blokje om. In de auto kan ik maar nauwelijks de neiging onderdrukken gas te geven teneinde een exemplaar te pletten. Mijn hoogtevrees is berucht. Ze is niet zo erg als bij mijn moeder, maar op een ladder durf ik niet of nauwelijks. Keukentrapjes bestijgen gaat nog net. Ik ben zeer beducht voor brand. Voor onweer ben ik doodsbang. Die bangigheid is er destijds met de paplepel ingegoten door al die angstige uren in de Lochemse kelder.